Al wat ik dragen kan

Van duimpje in den hemel

't Was Paaschavond en Onze Lieve Heer
was met al de heiligen eieren gaan rapen
buiten de muren. Alleen Sinte Pieter was
op zijn post gebleven, maar hij zou wel zijn
deel in de eieren krijgen ; hij moest maar
goed waken dat er niemand binnenkwam.
Toen werd er zachtjes op de deur geklopt.
« Wie daar? »
«Ik ben een arm klein duiveltje. »
«Zoo, dan zijt ge eene deur misgeloopen,
't is hier geen plaats noch voor groote noch
voor kleine duivels.»
« Ja maar, ik ben eigenlijk ook geen duivel;
ik heb dat maar gezegd om te lachen;
ik kwam ook maar eens in den hemel kijken. »
Dat klonk zoo fijn en zoo schalksch
dat Sinte Pieter niet kon laten de deur met
een spleet open te zetten, om dat zelf eens
te zien, maar meteen sprong een klein klein
manneken binnen met een kort broekje en
bloote knieën en bloote armtjes en bloot
krullend kopje.
« Ei! » deed Sinte Pieter, « alzoo niet geboerd! »
« Maar ik ben hier nu, Sinte Pieter. »
« En wie zijt ge? »
« Wel, Duimpje van Maldeghem. »
«Een van die zeven van den houthakker? »
« ja, zeker! Laat mij als 't u blieft, nu een
hoekje van den Hemel zien? »
« Maar Onze Lieve Heer is niet thuis. »
«Zooveel te beter...»
« Neen, hier is niets te zien buiten Hem! »
« Later kom ik eens voor goed. »
Sinte Pieter vond genoegen in het kleinemanneken.
« Hewel, zegde hij, omdat ge er zoo rechtzinnig
uit ziet, ge moogt eens tot aan dien
hoek loopen. Maar niets aanraken, hoor! »
Duimpje liep welgezind het gouden gaanpad
op en zag om den hoek breede dreven
met welriekende bloemen en lommerijk
groen omboorden daar 't eind een prachtig
paleis. Hij mocht wel eens tot daar loopen.
't Waren trappen van diamant. Kijk toch
hoe schoon! De deur stond open. Duimpje
mocht wel eens tot binnen gaan. En kijk!
daar staat een schitterende troon, de troon
zeker van Onzen Lieven Heer. Er stonden
twee gouden kloefen voor. Duimpje mocht
wel eens op dien zetel klouteren.
Maar als Duimpje op Godes troon zat,
werd alles heel anders.
Het kon overal doorkijken, dwarsdoor
die dikke muren, zelfs dwarsdoor dien vloer,
diep, heel diep, tot op de aarde.
En het zag daar twee jongens vechten;
zij trokken malkanders haar uit het hoofd
en gingen hun hemd in stukken rijten.
Dat kon Duimpje niet meer zien en 't pakte
een van die gouden kloefen en smeet
hem naar die jongens om ze te scheen.
Maar dan keek het om en zag Onzen
Lieven Heer, die 't ook al gezien had en
Sinte Pieter, die bij 't geplets van den kloef
was komen toegeloopen.
«Ik had hem geboden niets aan te raken.»
zei Sinte Pieter, verlegen van Onzen Lieven Heer.
Duimpje was sidderend beneên gekropen
en bleef in gebogen houding, vóór Ons Lieven
Heere staan.
«Duimpje! Duimpje!» sprak Ons Lieve
Heer, «Ik weet wel dat ge een goed inzicht
hadt, en 'k zal u niet te veel straffen.»
Eu hij nam den kloef, die
onderweg een zware zwarte
kloef geworden was en legde
hem op Duimpjes neergebogen
schouders. « Nu zult ge
uw leven lang, dezen kloef
op uwe schouders dragen,
heel vol met boeken, om de
kinderen der menschen betere
dingen te leeren,
«Zooveel gij dragen kunt.»